top of page

Cedric (36): "Ik was drie maanden out. Nu zit ik weer op mijn stoel en probeer ik te doen alsof er niets gebeurd is. Maar alles voelt anders."

15 mrt
4 minuten om te lezen

Hoe het zover is gekomen

Ik ben accountant. Al twaalf jaar. Het is een vak dat ik zelf gekozen heb, waar ik goed in ben en waar ik lang veel voldoening uit haalde. Deadlines, complexe dossiers, klanten die op je rekenen. Ik hield ervan. Die druk gaf me iets.

Maar ergens in de afgelopen jaren is die druk veranderd van karakter. Het was niet meer de druk van een uitdaging. Het werd gewoon de constante toestand waarin ik leefde.

Vijftig uur per week was normaal. In het weekend mails afhandelen ook. Een vraag van een klant op zondagochtend beantwoordde ik voor het ontbijt, bijna als reflex. Ik had mijn telefoon altijd binnen handbereik. Altijd aan. Altijd beschikbaar. Ik dacht dat het erbij hoorde. Dat iedereen het zo deed. Dat ik het zo moest doen als ik serieus genomen wilde worden.

Thuis merkte mijn partner het al langer dan ik. Ze zei dat ik er niet echt bij was. Dat ik aan tafel zat maar niet aanwezig was. Dat de kinderen me zagen maar nauwelijks voelden. Ik hoorde het. Maar ik had er geen antwoord op. Ik was moe, maar ik kon niet stoppen. Stoppen voelde als falen.

Tot mijn lichaam besliste voor mij.


De drie maanden die volgden

Ik zal er niet te lang bij stilstaan, want dat stuk ken ik ondertussen. De weken dat ik niet kon opstaan. De ochtenden die begonnen met een soort leegte die ik niet kon verklaren. De eerste keer dat ik huilend in de auto zat zonder te weten waarom.

Burn-out. Het woord alleen al voelde als een nederlaag. Alsof ik had toegegeven dat ik het niet aankon. Alsof ik zwakker was dan de rest.

Drie maanden thuis. Begeleiding, rust, langzaam opbouwen. Mijn partner was er. De kinderen waren er. Ik leerde opnieuw wat het betekende om 's avonds echt aanwezig te zijn aan tafel. Om een weekend te hebben dat gewoon een weekend was.

En op een gegeven moment kon ik met mijn baas praten. Over een andere aanpak. Minder uren, duidelijkere grenzen, geen verwachting van bereikbaarheid in het weekend. Hij stemde in. Ik was opgelucht.

Maar toen kwam de eerste werkdag terug.


De stoel waar ik al twaalf jaar zit

Ik dacht dat ik er klaar voor was. Ik was ook klaar voor mezelf, denk ik. Maar ik was niet klaar voor de rest.

Mijn bureau stond er nog. Mijn naam op de deur nog. Maar alles voelde anders. De collega's die ik al jaren kende, de grapjes aan de koffiemachine, de dynamiek van de open kantoorvloer. Ik stapte er middenin en voelde me een vreemde in een vertrouwde ruimte.

Iemand zei: "Ha, de rentree." Met een lach. Onschuldig bedoeld, waarschijnlijk. Maar ik voelde het landen.

Een andere collega maakte een opmerking over hoe hij zelf ook wel eens een sabbatical kon gebruiken. Weer die lach. Ik lachte mee. Wat doe je anders.


Het woord dat ik niet uitspreek

Burn-out is in onze sector geen woord dat je zomaar zegt. Je kunt het zwijgen, je kunt het omschrijven als "een moeilijke periode" of "wat gezondheidsproblemen", maar het echte woord leg je niet zomaar op tafel. Zeker niet in een omgeving waar prestatie de taal is die iedereen spreekt.

Ik weet dat sommige collega's er onderling over hebben gepraat. Ik weet niet wat ze gezegd hebben. Ik stel me voor wat ik zelf zou hebben gedacht, vroeger. Waarschijnlijk iets in de aard van: hij kon het niet aan. En dat beeld zit me dwars, ook al wil ik dat het dat niet doet.

Ik voel me soms een mietje. Dat is het eerlijke antwoord. Terwijl de mensen naast me gewoon doordraaien, zit ik om vijf uur mijn laptop dicht te klappen en voel ik dat iedereen het ziet. Alsof er een bordje boven mijn hoofd hangt.


De promotie die ik niet meer noem

Voor ik uitviel, was er een positie waar ik naartoe werkte. Niet iets wat officieel besproken was, maar iets wat in de lucht hing. Ik had hard gewerkt om op het juiste blaadje te staan. Ik had me bewezen. Ik was op de goede weg, dacht ik.

Nu weet ik het niet meer.

Ik zeg er niets over. Ik vraag er niet naar. Maar ik zie wie er ondertussen is opgeschoven. Ik zie wie er bij welke meetings zit. Ik tel op en ik kom tot een conclusie die ik liever niet trek.

Het ergste is misschien niet dat het promotiekans weg is. Het ergste is de gedachte dat alle jaren daarvoor, al dat hard werken, al die weekends en late avonden, uiteindelijk zijn uitgewist door drie maanden afwezigheid. Alsof je een spaarrekening hebt opgebouwd en iemand hem in één keer heeft leeggetrokken.


Wat ik thuis anders doe

Mijn partner zegt dat ik veranderd ben. Ze bedoelt het positief. Ik ben er meer. Ik eet mee aan tafel zonder mijn telefoon. Ik breng de kinderen naar school op donderdag. Kleine dingen die vroeger in de marge belandden.

En dat deel voelt goed. Echt goed. Dat is niet niks.

Maar ik merk ook dat ik op kantoor soms het gevoel heb dat ik iets moet compenseren. Dat ik extra mijn best doe om te laten zien dat ik er nog volledig bij ben. Dat ik betrouwbaar ben. Dat die drie maanden geen voorspelling zijn van wie ik ben als werknemer.

En net op dat moment betrap ik mezelf. Want dat is precies het patroon waar ik uit moest stappen.


De vraag die ik mezelf stel

Ik weet wat me hier gebracht heeft. Ik weet ook wat ik anders wil doen. De afspraken met mijn baas zijn er. De intentie is er. Maar intenties en gewoontes zijn twee verschillende dingen, en ik merk elke dag hoe dun die lijn is.

Ik wil mezelf niet opnieuw kapotbewijzen. Ik wil er zijn voor mijn kinderen, voor mijn partner, voor mezelf. En toch zit er ergens een stem die zegt dat ik niet genoeg doe. Die stem ken ik. Die stem heeft me hier gebracht.

Dus ik stel me één vraag, en ik heb er nog geen goed antwoord op: hoe pak je de draad terug op zonder opnieuw in hetzelfde patroon te glippen - en hoe weet je wanneer je de grens nadert, voor je er opnieuw overheen bent?

DAAN

 
 
 

Recente blogposts

Alles weergeven

Opmerkingen


bottom of page